Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen

30/03/21 - Nils Reerink

Met ingang van 1 juli 2021 treedt de nieuwe wet “Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen” in werking. Deze nieuwe wet heeft als doel de kwaliteit van het bestuur en toezicht van onder meer verenigingen en stichtingen te verbeteren. Dat doel wordt onder meer bereikt door bestaande regelingen van boek 2 Burgerlijk Wetboek voor verschillende rechtspersonen gelijk te trekken. Voor stichtingen en verenigingen heeft deze nieuwe wet dan ook aanzienlijke gevolgen.

 

Hieronder volgt een korte opsomming van de belangrijkste wijzigingen.

Toezicht

De nieuwe wet biedt verenigingen en stichtingen, maar ook coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, een wettelijke basis om een toezichthoudend orgaan in te stellen. Deze mogelijkheid bestond al bij besloten en naamloze vennootschappen. Hoewel er geen algemene wettelijke plicht ontstaat om een toezichthoudend orgaan in te stellen, zal een stichting of een vereniging die een bepaalde activiteit ontplooit of subsidie ontvangt daartoe wel gehouden kunnen worden. Indien vóór inwerkingtreding van de nieuwe wet op grond van de statuten van een vereniging of stichting al een toezichthoudend orgaan aanwezig was, dan gaat voor dat orgaan de regeling gelden zoals die geldt voor een raad van commissarissen bij een besloten of naamloze vennootschap.

Taakvervulling

Vanaf de inwerkingtreding van de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen is ook ten aanzien van verenigingen en stichtingen in de wet verankerd dat het belang van de rechtspersoon – inclusief de onderneming of organisatie die daaraan verbonden is – voorop dient te staan. Dat heeft tot gevolg dat bestuurders niet meer aan besluitvorming mogen deelnemen indien zij daarbij een persoonlijk belang hebben dat tegenstrijdig is met het belang van de rechtspersoon waarvan zij bestuurder zijn. Daarbij geldt wel dat interne besluitvorming die in strijd met deze regel tot stand is gekomen de externe vertegenwoordigingsbevoegd van de betreffende bestuurder niet aantast. Wanneer door een tegenstrijdig belang geen bestuursbesluit kan worden genomen, dan wordt het besluit genomen door het toezichthoudende orgaan. Bij ontbreken van een dergelijk orgaan, wordt het besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen. In het geval een bestuurder niet in staat is te besturen (in geval van belet of ontstentenis), dan bepaalt de nieuwe wet dat de statuten daarvoor voorschriften dienen te bevatten. In het kader van de overgangsregeling, dient dit overigens pas te worden geregeld bij de eerstvolgende statutenwijziging. Naast het voorgaande voorziet de nieuwe wet in aanvullende bevoegdheden van het toezichthoudende orgaan. Zo heeft het de bevoegdheid – tenzij de statuten anders bepalen – bestuurder(s) te schorsen. Bovendien voorziet de nieuwe wet in een ruimere bevoegdheid voor een rechter om een bestuurder of toezichthouder te ontslaan. Ontslag door een rechter leidt van rechtswege tot een formeel bestuursverbod van vijf jaar.

Aansprakelijkheid

De nieuwe wet bepaalt dat de taakvervulling van bestuurders en het toezichthoudende orgaan voortaan op grond van artikel 2:138 BW (bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement) kan worden getoetst. Aansprakelijkheid van bestuurders of toezichthouders kan ontstaan als zij hun taak onbehoorlijk hebben vervuld en bovendien aannemelijk kan worden gemaakt dat dit een belangrijke oorzaak is van het faillissement. In dat geval zijn de bestuurders aansprakelijk voor het gehele tekort in het faillissement. Indien niet aan de administratieplicht is voldaan of jaarrekeningen niet tijdig zijn gepubliceerd, staat het vast dat de bestuurders hun taak onbehoorlijk hebben vervuld en wordt vermoed dat deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement (bewijsvermoeden). Dit bewijsvermoeden kan door een aangesproken bestuurder of toezichthouder overigens worden ontkracht. Eventuele aansprakelijkheid op basis van de nieuwe wet is pas aan de orde indien de rechtspersoon onderworpen is aan de heffing van vennootschapsbelasting of het een rechtspersoon betreft die bij of krachtens de wet verplicht is een financiële verantwoording op te stellen die gelijk of gelijkwaardig is aan een jaarrekening. Voor niet commerciële stichtingen en verenigingen gelden de bewijsvermoedens ter zake aansprakelijkheid niet. Aansprakelijkheid van de bestuurder van dergelijke stichtingen en verenigingen is niet uitgesloten, maar voor een curator lastiger te bewijzen.

Directe werking

De nieuwe wet treedt per 1 juli 2021 in werking en geldt direct. Indien onderdelen van statuten in strijd zijn met de nieuwe wet, dan worden deze als niet geldend beschouwd. In sommige gevallen voorziet de nieuwe wet erin dat de statuten pas behoeven te worden aangepast bij de volgende statutenwijziging,

Samenvattend

De Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen voorziet in een belangrijke stap om de regelgeving met betrekking tot bestuur en toezicht binnen het vennootschapsrecht te harmoniseren. Het gevolg daarvan is dat het bestuur en toezicht van onder meer verenigingen en stichtingen wordt geformaliseerd en dat wordt voorzien in (extra) wettelijke waarborgen. Aangezien de nieuwe wet op 1 juli 2021 in werking treedt, is het raadzaam de statuten te controleren of deze in lijn zijn met de aankomende wettelijke regeling of aanpassing behoeven. Voorts dient te worden beoordeeld of de wijze van besluitvorming binnen de vereniging of stichting aan de nieuwe wet voldoet.

Davids adviseert u graag.