De Hoge Raad houdt koers; niet-genoten vakantiedagen blijven boedelschuld

29/11/17 - Luc Rijzewijk

In mijn bijdrage van april 2017 heb ik aandacht besteed aan het onderscheid dat de Faillissementswet (Fw) maakt tussen enerzijds boedelschulden/boedelvorderingen en anderzijds concurrente schulden/concurrente vorderingen daterend van voor datum faillissement.

Daarin kwam aan de orde dat boedelvorderingen – in tegenstelling tot concurrente vorderingen – een onmiddellijke aanspraak geven op de boedel en niet ter verificatie hoeven worden ingediend. Dit heeft (onder meer) tot gevolg dat schuldeisers met een concurrente vordering zich pas op de opbrengst van de boedel kunnen verhalen nadat (onder meer) de boedelschuldeisers hieruit zijn voldaan. Om die reden hebben boedelvorderingen te gelden als de vorderingen met de hoogste rang, terwijl concurrente vorderingen hebben te gelden als de vorderingen met de laagste rang.

Recent diende de Hoge Raad duidelijkheid te verschaffen over de status van een geldvordering van een werknemer uit hoofde van niet-genoten vakantiedagen. De vraag die voorlag, was of deze aanspraak al dan niet is aan te merken als een boedelvordering. Het antwoord hierop diende de Hoge Raad te geven met inachtneming van twee van zijn eerdere standaardarresten, LISV/Wilderink q.q. en Koot/Tideman q.q., die ik hier kort zal bespreken.

LISV/Wilderink q.q.
Artikel 40 lid 2 Fw bepaalt dat het loon van een werknemer vanaf de dag van faillietverklaring als boedelschuld kwalificeert. In het arrest LISV/Wilderink q.q. uit 1999 oordeelde de Hoge Raad dat de uitkering in geld voor niet-genoten vakantiedagen na ontslag door de curator moet worden gelijkgesteld met het begrip “loon” en om die reden ook moet worden beschouwd als boedelschuld. Daarbij maakt het niet uit of de vakantieaanspraken vóór of ná de faillietverklaring zijn opgebouwd.

Koot/Tideman q.q. – Het begrip “boedelschuld”
Maar, in 2013 herdefinieerde de Hoge Raad het begrip “boedelschuld” in het arrest Koot/Tideman q.q. Daarin overwoog hij dat boedelschulden uitsluitend die schulden zijn die een onmiddellijke aanspraak geven jegens de faillissementsboedel, i) hetzij ingevolge de wet, ii) hetzij omdat zij door de curator in zijn hoedanigheid zijn aangegaan, iii) hetzij omdat zij een gevolg zijn van een handelen van de curator in strijd met een door hem in zijn hoedanigheid na te leven verbintenis of verplichting.

Status vordering niet-genoten vakantiedagen gewijzigd door Koot/Tideman q.q.?
Als genoemd diende de Hoge Raad duidelijk te maken of de hiervoor beschreven herdefiniëring van het begrip “boedelschuld” de status van een geldvordering van een werknemer uit hoofde van niet-genoten vakantiedagen heeft veranderd. Meer specifiek diende hij te oordelen of een dergelijke aanspraak na deze herdefiniëring nog wel dient te worden beschouwd als een boedelschuld.

Onder verwijzing naar voornoemde arresten overweegt de Hoge Raad geen aanleiding te zien om terug te komen van het door hem in LISV/Wilderink q.q. geformuleerde uitgangspunt dat een geldvordering van een werknemer uit hoofde van niet-genoten vakantiedagen kwalificeert als een boedelschuld. In het verlengde hiervan oordeelt hij dat deze vordering – op grond van de wet – een onmiddellijke aanspraak geeft jegens de faillissementsboedel en derhalve behoort tot de hiervoor onder i), in Koot/Tideman q.q. beschreven categorie boedelschulden.

Conclusie
Een geldvordering van een werknemer uit hoofde van niet-genoten vakantiedagen was een boedelschuld en blijft dat ook na Koot/Tideman q.q.

 

Davids Advocaten adviseert u graag over de status/rang van uw vordering in faillissement.