Begrippenlijst I-P

Internationaal privaatrecht:
Rechtsgebied dat de regels omvat betreffende private rechtsbetrekkingen die zich niet alleen binnen één nationale rechtsorde afspelen, bijv. of een rechter bevoegd is om van een burgerlijke geschil met grensoverschrijdende kenmerken kennis te nemen en (zo ja) welk recht hij dan dient toe te passen.

Jurisprudentie:
Geheel van juridische uitspraken. Deze vormt een richtlijn voor de rechtspraak in latere, soortgelijke gevallen, zonder evenwel bindend te zijn.

Liquidatie:
Het opheffen van een bedrijf (bijv. bij faillissement) waardoor het vastgelegde vermogen in geld beschikbaar komt, doordat alle activa worden verkocht.

Normadressaat:
Categorie personen voor wie een gegeven norm geldt.

Overname (overnamepraktijk):
Het opkopen door meestal een grote onderneming van de aandelen van een kleinere onderneming. De kleine onderneming zit hierbij in een afhankelijke positie. Vaak is de overname het gevolg van een (dreigend) faillissement, maar het kan ook het gevolg zijn van het groeibeleid van een grote onderneming. Wanneer het opkopen van de aandelen grootscheeps en in het geheim plaatsvindt, spreekt men wel van een overval. Gaan twee (of meer) ondernemingen samen op basis van gelijkwaardigheid, dan spreekt men van een fusie.

Pandrecht:
Beperkt zekerheidsrecht dat ontstaat doordat de schuldenaar (enkele van) zijn eigendommen, niet zijnde huis of grond, in de macht van de schuldeiser brengt zodat die, in geval de schuldenaar in verzuim is, bij voorrang boven andere schuldeisers zijn vordering op het verpande eigendom kan verhalen.

Preferente crediteuren:
Schuldeisers waarvan hun vordering een bij de wet geregelde voorrang heeft.

Prejudiciële vraag:
Europees recht – indien de nationale rechter twijfelt aan een europeesrechtelijke aangelegenheid moet hij vooraleer uitspraak te doen, het Hof van Justitie om uitleg vragen. Het Hof van Justitie geeft dan een prejudiciële beslissing.

Privacywetgeving:
De wetgeving op het gebied van privacy.

 

Bron: www.encyclo.nl