Aansprakelijkheid moedervennootschap voor schulden van dochtervennootschap

2/11/18 - Gulnaz Khan

In deze zaak staat de vraag centraal of de bestuurder en enig aandeelhouder van een (lege) dochtervennootschap persoonlijk aansprakelijk is voor de schade van de wederpartij van de dochtervennootschap wegens niet nakoming door de dochtervennootschap.

Inleiding
Hanzevast Beleggingen B.V. (de moeder) is bestuurder en enig aandeelhouder van Hanzevast Beleggingen III (de dochter). De dochter is een (lege) projectvennootschap. In 2004 heeft de dochter kantoorruimte gekocht van Ontwikkelingsmaatschappij G4 (G4). Bij de onderhandelingen was de moeder als bestuurder betrokken.

Tussen G4 en de dochter rijst een geschil over het vereiste opleveringsniveau van de kantoorruimte. De koopovereenkomst is daarover niet geheel duidelijk. Na het sluiten van de koopovereenkomst stelt de dochter aanvullende eisen aan G4 over het door haar verlangde afwerkingsniveau. G4 is bereid dit niveau te leveren, maar alleen tegen betaling van de meerkosten van ruim € 1,9 miljoen.

Standpunten
De dochter is het hier niet mee eens. Zij is niet bereid om de – in haar ogen extra – € 1,9 miljoen te betalen. Zij vindt dat het opleveringsniveau onderdeel is van de koopovereenkomst. Daarom vindt ze dat G4 de koopovereenkomst gewoon moet nakomen. En anders wil zij van de koopovereenkomst af. Ze stelt in dat verband dat er geen overeenstemming is bereikt over de koopovereenkomst. En als er wél overeenstemming zou zijn bereikt dan vindt de dochter dat G4 tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen. G4 zou in de ogen van de dochter namelijk ten onrechte weigeren de kantoorruimte voor de afgesproken koopprijs af te leveren.

De dochter stapt naar de rechter en vordert primair dat G4 de kantoorruimte voor de (oorspronkelijk) overeengekomen koopprijs en het vereiste afwerkingsniveau aflevert. Subsidiair vordert zij ontbinding van de koopovereenkomst, bij uitblijven van de levering.

G4 op haar beurt laat het er niet bij zitten. Zij vindt dat de dochter de koopprijs moet betalen voor de – in de ogen van G4 juiste – koopprijs opgenomen in de koopovereenkomst. Zij vraagt de rechter dan ook de dochter te veroordelen tot betaling van de koopprijs c.q. de door G4 te lijden schade. Zoals genoemd heeft de dochter geen activa en zal dus überhaupt niet in staat zijn om de koopprijs of een schadevergoeding te betalen. Daarom vordert G4 daarnaast dat de moeder, als bestuurder van de dochter, wordt veroordeeld tot vergoeding van de schade van G4 voor het geval de dochter niet aan haar betalingsverplichting jegens G4 kan voldoen. G4 voert daarbij aan dat de moeder als bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld jegens G4 en daarom aansprakelijk is op grond van bestuurdersaansprakelijkheid.

Oordeel rechtbank en gerechtshof
De rechtbank geeft G4 gelijk. De rechtbank veroordeelt de dochter en de moeder om de schade van G4 te vergoeden. De rechtbank oordeelt dat de moeder aansprakelijk is op grond van bestuurdersaansprakelijkheid. Het hof draait deze beslissing echter terug. De zaak wordt vervolgens aan de Hoge Raad voorgelegd, waarbij het alleen nog maar gaat om de vraag of de moeder als bestuurder aansprakelijk is voor de schuld van de dochter aan G4.

Oordeel Hoge Raad
Bij de toetsing van de handelswijze van de moeder als bestuurder hanteert de Hoge Raad een tweetrapstoets, gericht op de vraag of de schadelijke gevolgen van het handelen objectief voorzienbaar waren. Eerst dient te worden vastgesteld met welke verplichtingen de moeder als bestuurder rekening diende te houden. Daarna komt de vraag aan de orde of de moeder had behoren te begrijpen dat de dochter haar verplichtingen niet zou nakomen.

De Hoge Raad acht de moeder als bestuurder aansprakelijk jegens G4. De moeder kan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt voor haar handelswijze. De moeder heeft een lege projectvennootschap opgericht en de onderhandelingen over de koopovereenkomst gevoerd. G4 mocht ervan uitgaan dat de moeder de dochter zou voorzien van financiële middelen om de verplichtingen uit de koopovereenkomst na te komen. Door dat niet te doen heeft de moeder volgens de Hoge Raad bewerkstelligd dat de dochter als lege projectvennootschap haar verplichtingen jegens G4 niet kon nakomen. Dit terwijl de moeder redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de dochter voor haar financiering afhankelijk was van de moeder.

Slot
Deze uitspraak illustreert het risico van aansprakelijkheid van bestuurders voor verplichtingen van een dochtervennootschap. Davids Advocaten begeleidt bij (het voorkomen van) dergelijke aansprakelijkheden. Neem contact op met Mark-Hendrik de Vries: mark.devries@davidslaw.nl / 088 500 4304.

 

Dit artikel is tot stand gekomen met medewerking van mr. M.H. de Vries