Bestuurdersaansprakelijkheid

Als bestuurder van een BV of NV kunt u op verschillende manieren aansprakelijk worden gesteld. Aansprakelijkstelling kan bijvoorbeeld geschieden door een faillissementscurator omdat er in het faillissement van de vennootschap zaken zijn gebeurd die in strijd met (wettelijke) regels. Het is ook mogelijk dat een crediteur u aansprakelijk stelt omdat de vennootschap zijn (betalings)afspraken niet nakomt. Het is in alle gevallen van belang u bewust te zijn van de risico’s, hoe deze ontstaan én kunnen worden voorkomen. Davids Advocaten helpt u graag.

Hieronder volgt een korte opsomming van de meest voorkomende vormen van bestuurdersaansprakelijkheid.

Inleiding bestuurdersaansprakelijkheid

De wet bepaalt dat een rechtspersoon, zoals een besloten of naamloze vennootschap, in de meeste juridische opzichten gelijk is aan een natuurlijk persoon. Net zoals een natuurlijk persoon heeft een rechtspersoon rechten en verplichtingen. Een rechtspersoon kan echter niet zelf feitelijk handelen. Dat handelen dient uiteindelijk te geschieden door een natuurlijk persoon, zijnde de bestuurder of een persoon die feitelijk als bestuurder van de rechtspersoon optreedt. Door dergelijke handelingen wordt niet de (feitelijk) bestuurder, maar de rechtspersoon zelf gebonden.

Hoewel een bestuurder van een vennootschap een grote mate van (beleids)vrijheid heeft, zijn aan zijn optreden – zowel naar buiten toe als binnen de vennootschap – regels verbonden. Bestuurders van een vennootschap dienen hun taak jegens de vennootschap en jegens derden waarmee de vennootschap zaken doet, behoorlijk te vervullen. Indien een bestuurder (te) grote risico’s neemt, kan hij daarvoor persoonlijk aansprakelijk worden gehouden. Er zijn verschillende vormen van bestuurdersaansprakelijkheid. Hieronder volgt een korte opsomming van de meest voorkomende categorieën.

Aansprakelijkheid bestuurder bij oprichting (artikel 2:203 BW)

Indien een beoogd bestuurder van een vennootschap (of anderen die namens de op te richten vennootschap handelen) vóór oprichting van de vennootschap, verplichtingen aangaat zoals een huurovereenkomst, een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst met een leverancier, dan bindt deze persoon zichzelf totdat de vennootschap de betreffende overeenkomst(en) ná haar oprichting bekrachtigt. Pas vanaf dat moment wordt de vennootschap gebonden. Indien een vennootschap de overeenkomst ondanks de bekrachtiging niet nakomt, dan kan er sprake zijn van persoonlijke aansprakelijkheid, indien de bestuurder bij het aangaan van de overeenkomst wist of redelijkerwijs kon weten dat de vennootschap haar verplichtingen niet zou kunnen nakomen. Dat wordt in ieder geval aangenomen indien een vennootschap binnen 1 jaar na oprichting failliet gaat.

Interne aansprakelijkheid (artikel 2:9 BW)

Wettelijke of statutaire bepalingen of interne contractuele afspraken die de belangen van een vennootschap beogen te beschermen, behoren door een bestuurder te worden nageleefd. Uit de rechtspraak volgt dat er sprake is van bestuurdersaansprakelijkheid indien de betreffende bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Handelen uit onwetendheid, domheid of op grond van (onbewuste) fouten, zal niet snel tot aansprakelijkheid leiden. Voorbeelden van interne aansprakelijkheid – dus jegens de vennootschap – zijn:

  • opzettelijk of bewust roekeloos handelen, waaronder strafrechtelijk of frauduleus handelen;
  • het nemen van onverantwoorde financiële risico’s, zoals het uitkeren van dividend zonder dat de resultaten van de vennootschap dat toelaten of het nemen van verstrekkende beslissingen met voorzienbare negatieve financiële consequenties;
  • onttrekking van gelden van de vennootschap voor niet zakelijke doeleinden;
  • de vennootschap onbevoegdelijk vertegenwoordigen;
  • het bankschuld onverantwoord laten oplopen;
  • de vennootschap niet deugdelijke verzekeren tegen risico’s;
  • handelen in strijd met statuten die de vennootschap beogen te beschermen.

Vraag is: hoe worden de normen toegepast als er sprake is van meerdere bestuurders? Hoofregel is dat indien een bepaald besluit behoort tot het takenpakket van meerdere bestuurders, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn. Dat betekent dat iedere bestuurder voor de gehele schade van de vennootschap kan worden aangesproken. Bestuurders die kunnen aantonen dat zij niets met de besluitvorming te maken hebben, zijn onder omstandigheden niet aansprakelijk. Dat neemt niet weg dat er ook sprake kan zijn van een collectieve verantwoordelijkheid, bijvoorbeeld in het geval van verplichtingen die op grond van de wet, statuten of interne regels bij alle bestuurders liggen, zoals het deponeren van jaarstukken. Indien een bestuurder het niet eens is met de interne besluitvorming en hij vermoedt dat dit verstrekkende financiële gevolgen voor de vennootschap heef, waardoor persoonlijke aansprakelijkheid dreigt, dan dient hij als bestuurder de meest verstrekkende conclusie te trekken en zijn taken neerleggen.

Externe aansprakelijkheid (artikel 6:162 BW)

Een bestuurder kan op grond van interne aansprakelijkheid alleen door de vennootschap zelf aansprakelijk worden gesteld. Derden – zoals schuldeisers – die door het handelen van de bestuurder schade hebben geleden, dienen zich jegens een bestuurder te beroepen op onrechtmatige daad. Aangetoond dient te worden dat de betreffende bestuurder voldoende verwijtbaar heeft gehandeld. Voorbeelden van aansprakelijkheid van een bestuurder jegens schuldeisers op grond van onrechtmatige daad zijn:

  • een bestuurder van een vennootschap bewerkstelligt of laat toe dat toe dat een overeenkomst van de vennootschap niet wordt nagekomen;
  • een bestuurder gaat verplichtingen namens de vennootschap aan, terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te weten, dat de vennootschap niet, of niet binnen een redelijke termijn, in staat zou zijn haar verplichtingen na te komen;
  • een bestuurder kan facturen wel betalen, maar wil dat om bepaalde (financiële) redenen niet (betalingsonwil) of een bestuurder betaalt alle schuldeisers op één na (selectieve wanbetaling);
  • een bestuurder betaalt alleen vennootschappen en personen die nauw met de vennootschap verbonden zijn, zoals zichzelf, een moeder- of dochtervennootschap of een bevriende relatie;
  • het voorzetten van de bedrijfsactiviteiten van een vennootschap op een moment dat er feitelijk al sprake is van een faillissement, omdat de schulden de baten aanzienlijk overstijgen.

Aansprakelijkheid in geval van faillissement artikel 2:248 BW / artikel 2:10 BW)

Een faillissementscurator dient op grond van de faillissementswet onderzoek te doen naar de oorzaken van een faillissement. De wet heeft hem exclusieve bevoegdheden gegeven om (feitelijk) bestuurders van een vennootschap persoonlijk – indien daar aanleiding toe is – aansprakelijk te houden voor het gehele tekort in het faillissement. Voor aansprakelijkheid dient de faillissementscurator aan te tonen dat er sprake is van onbehoorlijk bestuur, alsmede dat het onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Daarbij wordt de curator door een bewijsvermoeden geholpen in het geval er geen sprake is van (tijdig) gedeponeerde jaarstukken of in het geval een bestuurder geen deugdelijke administratie heeft gevoerd (de bekende “schoenendoos met bonnetjes”), waaruit op ieder moment de rechten en verplichtingen van de vennootschap kunnen worden gekend.

Het is vervolgens aan de bestuurder om aannemelijk te maken dat het ontbreken van administratie en/of het ontbreken van (tijdig) gedeponeerde jaarstukken niet een belangrijke oorzaak is van het faillissement van de vennootschap. Hij dient aan te tonen dat de oorzaak van het faillissement in externe factoren is gelegen, zoals het wegvallen van een grote klant of order, negatieve marktontwikkelingen of ander van buitenkomend onheil. Ook in de gevallen dat er wel sprake is van een deugdelijke administratie en het tijdig deponeren van jaarstukken, kan een curator (gelet op de omstandigheden van het geval) tot aansprakelijkstelling overgaan. De curator zal dan moeten aantonen dat geen redelijk handelend bestuurder zou hebben gehandeld zoals de bestuurder in het concrete geval heeft gedaan. In die gevallen wordt de curator echter niet geholpen door een wettelijk bewijsvermoeden.



Fiscale bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 36 Invorderingswet)

Op grond van de Invorderingswet kan een bestuurder door de Belastingdienst persoonlijk aansprakelijk worden gesteld voor sommige belastingen die de vennootschap verschuldigd is. Deze vorm van bestuurdersaansprakelijkheid doet zijn intrede indien een bestuurder niet tijdig heeft gemeld dat een vennootschap zijn belastingschulden niet meer zal kunnen voldoen. Een bestuurder dient op grond van artikel 36 lid 1 Invorderingswet zo spoedig mogelijk melding te doen van de betalingsonmacht van de vennootschap bij de Belastingdienst. De melding dient in ieder geval te worden gedaan binnen twee weken nadat de aanslag of aangifte betaald had moeten worden.